an open book sitting on top of a table

Vertalen wat er staat, en de tand des tijds

Zinvolle boeken over vertalen zijn, in elk geval in het Nederlandse taalgebied, dungezaaid. Vanzelfsprekend zijn er, met name in het Engels, duizenden en duizenden pagina's aan vertaalwetenschappelijke literatuur, maar met die literatuur komt de professionele vertaler niet of nauwelijks verder. ‘Vaag', ‘onbegrijpelijk' en ‘irrelevant' behoren tot de mildere adjectieven die in dit verband vaak worden gebezigd.

Dit is de eerste blogpost op deze site en het lijkt op de een of andere manier terecht om te beginnen met een boek dat dit probleem al decennia geleden onderkende en zelf de vertaler wél houvast biedt: Vertalen wat er staat, van Arthur Langeveld. Langeveld is een slavist die met name bekendheid verwierf met zijn Nederlandse vertalingen van Russische literatuur. In 2006 ontving hij de Martinus Nijhoffprijs voor zijn gehele vertaaloevre en met name voor de vertaling van De broers Karamazov van Dostovjevski. Dit laatste, het vertalen van een werk van dergelijke kwaliteit en omvang (966 pagina's in vertaling), is een klus die zelfs de meest doorgewinterde vertaler een week gevoel in de knieën bezorgt.

Onlangs viel mijn oog weer op Vertalen wat er staat, dat ik in mijn studententijd eens op de kop heb getikt bij De Slegte. Ik bleek vier passages in de inleiding te hebben gearceerd, vier passages over constateringen, basisbeginselen zo u wilt, die de tand des tijds hebben weten te doorstaan. Hieronder een opsomming.

1. Talent is handig maar geen vereiste

Sommige mensen lijken op taalgebied bijzonder begenadigd. Zonder enige training weten zij razendsnel synoniemen uit hun mouw te schudden. Zij munten uit in kruiswoordpuzzels en Scrabble en kunnen de meest merkwaardige taalopdrachten met verbazingwekkend goed resultaat volbrengen (“schrijf zoveel mogelijk woorden van vier letters op waarin de letter n voorkomt”). Vertalen wordt vaak bezien door dezelfde bril: “Je kunt het of je kunt het niet.” Langeveld stelt echter dat dit niet juist is, een stelling die ik als vertaaldocent van harte kan onderschrijven:

[…] het is een vak dat – mits enige aanleg aanwezig is – zeker geleerd kan worden.

Arthur Langeveld, Vertalen wat er staat, 11

2. Er is een taalkundig verband tussen brontekst en vertaling

Het lijkt een open deur, maar dat is het niet. Vertalen is geen magische, ondoorzichtige goocheltruc. Het is juist een systematisch proces dat bestaat uit verschillende stappen. Deze stappen, de relatie tussen brontekst en vertaling, kunnen worden geanalyseerd en beschreven. In de woorden van Langeveld:

Het uitgangspunt is het volgende: vertalen is in de eerste plaats een taalkundige bezigheid. De relatie tussen vertaling en origineel kan – hoewel ook culturele verschillen een belangrijke rol kunnen spelen – tot op grote hoogte in linguïstische termen beschreven worden.

Arthur Langeveld, Vertalen wat er staat, 13

3. Er bestaan vaste ‘vertaaltransformaties' (voor in de trucendoos)

Een begrip dat ik tijdens mijn vertaalcolleges tot vervelens toe gebruik, is het woord ‘trucendoos'. Waarom? De omzetting van brontekst naar vertaling leidt tot een aantal verschuivingen. Deze verschuivingen zijn niet uniek, maar komen telkens terug. Een vertaler doet er dus goed aan om een (mentale) trucendoos aan te leggen van zogenaamde ‘vertaaltransformaties' (translation shifts):

Wanneer men een groot aantal vertalingen en originelen op die manier vergelijkt, dan blijkt dat er bepaalde verschuivingen of veranderingen tussen brontaal en doeltaal zijn die regelmatig terugkeren. Deze veranderingen of vertaaltransformaties vormen als het ware de ‘trucendoos', het repertoire van elke vakbekwame vertaler.

Arthur Langeveld, Vertalen wat er staat, 14

4. Een ‘goede' vertaling wordt gekenmerkt door talrijke taalkundige correspondenties met het origineel

Over de vraag wat een goede vertaling is, kan eindeloos worden gefilosofeerd. Dit komt vooral doordat er twee uitersten zijn waartussen elke vertaling kan worden gepositioneerd: letterlijkheid aan de ene en vrijheid aan de andere kant. Een té letterlijke vertaling is onleesbaar en onbegrijpelijk. Een té vrije vertaling is geen vertaling maar een parafrase. Wat is nu de gulden middenweg? Dat hangt af van factoren als de tekst, het vakgebied en de doelgroep. Wat echter wel met zekerheid kan worden gezegd, is dat er op het niveau van kleinere teksteenheden altijd sprake dient te zijn van een aanwijsbaar taalkundig verband met het origineel:

Bij de moderne vertaling kunnen steeds op het niveau van woordgroep, zinsdeel, zin, of ten hoogste een kleine groep zinnen talrijke correspondenties met het origineel worden vastgesteld.

Arthur Langeveld, Vertalen wat er staat, 17

Andere talen?

Langeveld laat in hoofdstuk 3 van zijn boek zien dat er in grote lijnen vier verschillende vertaaltransformaties kunnen worden onderscheiden: omzettingen, veranderingen, toevoegingen en weglatingen. Hij illustreert dit aan de hand van Nederlandse vertalingen van Engelse en Duitse literaire werken. De literatuur over vertaaltransformaties in andere taalcombinaties is helaas uiterst beperkt. Dit valt in theoretisch opzicht te betreuren omdat combinaties van talen uit verschillende taalfamilies heel andere vertaaltransformaties vereisen dan Engels > Nederlands of Duits > Nederlands. Ook in praktisch opzicht is dit echter een gemis; voor mij persoonlijk zou de leercurve een stuk minder steil zijn geweest als ik van meet af aan een overzicht met vertaaltechnieken Turks > Nederlands bij de hand zou hebben gehad. Bij gebrek daaraan creëert elke vertaler uiteindelijk, vaak met veel pijn en moeite, zijn eigen mentale trucendoos. Vertalen wat er staat biedt daartoe nog altijd een uitstekende aanzet.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *